1,5-2,5 jaar

Sociaal-emotionele ontwikkeling

Uw dreumes laat steeds vaker zien dat hij een eigen willetje heeft. Hij laat dit ook zien door bijvoorbeeld keer op keer weg te lopen.

Uw dreumes gaat meer begrijpen. Zo snapt hij dat iemand niet zomaar weg kan zijn. Daarmee laat uw dreumes zien dat hij loskomt van de eenkennigheid.

In deze periode vraagt uw dreumes veel aandacht. Hij ziet zichzelf als het middelpunt van de wereld: alles draait om hem. Hij begrijpt niet waarom iets niet mag of kan of waarom het gevaarlijk is.
Wel leert uw dreumes dat hij dingen kan veroorzaken en dat u daarop reageert. Hij wordt zelfbewuster.
Ook al wordt uw dreumes groter, hij is graag in de buurt van vertrouwde mensen. Maar hij krijgt ook interesse in andere kinderen. Nog niet om mee samen te spelen. Uw dreumes wil op deze leeftijd nog alles voor zichzelf hebben.

Vanaf ongeveer zijn tweede jaar krijgt hij meer belangstelling voor wat een ander kind doet. Uw dreumes leert dat sommige dingen van hem alleen zijn en dat hij andere dingen moet delen. Dat vindt uw dreumes nog best moeilijk!

Uw dreumes ontdekt zijn eigen ‘ik’. Hij noemt zijn eigen naam als het over zichzelf praat, bijvoorbeeld: “Gijs lief”.
Zijn eigen wil wordt steeds sterker. Steeds vaker zal uw dreumes proberen zijn eigen zin te doen. Hij wil alles zelf doen en zegt overal nee tegen. Aan de andere kant is hij ook heel lief en aanhankelijk.

Het spelen breidt zich ook uit. De dreumes imiteert de dagelijkse dingen. Hij geeft bijvoorbeeld de pop eten en legt de pop in bed of hij praat in de telefoon. Door ‘vullen en weer leegmaken’ ontdekt hij wat je kan doen met water en zand.

Uw dreumes wordt al zelfstandiger. Als u even weg bent, dan vertrouwt hij erop dat u zo weer terug komt. Ook krijgt hij door dat hij bij u in het gezin hoort en in de groep van het kinderdagverblijf.

Hoe begeleiden wij uw dreumes/peuter

Omgaan met emoties
We kijken goed naar uw dreumes: hoe voelt hij zich en waar speelt hij mee. We benoemen wat we zien. Zo voelt uw dreumes zich gezien. Hij voelt dat hij er mag zijn zoals hij is. Hij voelt zich veilig.

We praten met uw dreumes zoveel mogelijk op ooghoogte. Zo tonen we respect naar uw dreumes en kan hij zich ‘groot’ voelen.  

We moedigen uw dreumes aan om dingen zelf te doen die hij al (bijna) zelf kan: Zelf met een vorkje zijn fruit eten, laten ‘helpen’ met aankleden. We geven complimentjes als het lukt. Hij mag ook regelmatig kiezen, bijvoorbeeld wat hij op zijn boterham wil. Zo groeit zijn zelfvertrouwen en zijn zelfstandigheid.

Duidelijkheid
Een dreumes heeft behoefte aan duidelijkheid. Als een dreumes weet wat er van hem wordt verwacht voelt hij zich veilig. Zinnen met ‘niet’ vinden kinderen moeilijk, zoals ‘je mag niet op de tafel klimmen’. Daarom zeggen we vooral wat wel de bedoeling is. Dat doen we op een vriendelijke en stimulerende toon: ‘je wilt met het boekje op de bank zitten, wat een goed plan!’ Zo leren de kinderen spelenderwijs wat de regels en gewoonten zijn in de groep. 

In de groep hangen pictogrammen. Dit zijn plaatjes waarop het dagprogramma te zien is. Bij een overgang naar een volgende activiteit kijken we samen met de kinderen naar de plaatjes. 

Ruimte voor ontdekken
We geven uw dreumes alle ruimte om actief op ontdekking uit te gaan. We begeleiden hem en stimuleren hem in zijn spel. Zo leert hij zijn talenten ontdekken. Zijn zelfvertrouwen ontwikkelt zich.

We doen veel spelletjes met de kinderen samen. Samen klimmen op een klauter-parcours, samen boekjes lezen, beweegspelletjes en liedjes zingen. De kinderen beleven veel plezier aan dit contact met de andere kinderen en ze leren veel van en met elkaar. Ze voelen dat ze deel uitmaken van een groep.

Overgang naar de peutergroep
Als uw dreumes in deze periode overgaat van de baby- naar de peutergroep, dan nemen we de tijd zodat uw dreumes eerst in de nieuwe groep kan wennen. Zo verloopt de overgang soepel en voelt hij zich ook in de nieuwe groep snel thuis.

 

Spraak / taalontwikkeling

In deze periode gaan de meeste kinderen steeds meer woorden zeggen. Het ene kind is hiermee sneller dan het andere kind.
De eerste woorden zijn vaak ‘papa’, ‘mama’, ‘dada’. Daarnaast praat uw dreumes volop zijn eigen brabbeltaaltje.
Uw dreumes gebruikt steeds meer woorden (tot twee- à driehonderd woorden). Hij weet en zegt op zijn manier het woord voor een voorwerp, een dier of een persoon. Ook bij de plaatjes in een boek zegt hij wat hij ziet.

Als uw dreumes praat, gebruikt hij éénwoordzinnen. Met dat ene woord bedoelt uw dreumes een hele zin en dat kan van alles betekenen. Aan de toon van de ‘zin’ moet u begrijpen wat uw dreumes bedoelt.
De uitspraak van allerlei klanken is nog moeilijk. Uw dreumes begrijpt meer dan hij zelf kan zeggen.
De meeste kinderen bekijken al graag boekjes. Liedjes, geluidsspelletjes en dierengeluiden zijn favoriet. Ze doen al actief mee.

Als uw dreumes een peuter wordt (2 jaar) gaat hij tweewoordzinnen gebruiken, bijvoorbeeld: “papa lezen”, “mama auto”, “niet doen”. Aan de toon hoort u wat uw peuter bedoelt. Bij “papa lezen” wil hij graag dat papa gaat voorlezen.
Vaak gebruikt hij nog andere manieren om duidelijk te maken wat hij wil, hij pakt bijvoorbeeld uw hand, gaat iets halen, laat het zien.
Hij leert snel meer woorden, al spreekt uw dreumes deze niet altijd al goed uit.
Uw peuter noemt zijn voornaam als hij over zichzelf praat, bijvoorbeeld “Sabine boos” als hij bedoelt: “ik ben boos op jou!”

Hoe begeleiden wij uw dreumes/peuter

Als we met uw peuter praten, dan maken we eerst goed contact en kijken uw peuter aan. We praten in korte, duidelijke zinnen. We nodigen de peuters uit om te reageren. Het is dus niet praten ‘tegen’ maar praten ‘met’ de kinderen. Dit doen we tijdens het vrij spelen en de activiteiten, maar ook tijdens alle andere momenten, zoals tijdens de verzorging en aan tafel. Door ons duidelijke taalgebruik zijn we een goed voorbeeld voor de peuters.

We kijken goed naar waar uw peuter mee bezig is. Als uw peuter iets zegt, dan laten we merken dat we naar hem luisteren. We tonen belangstelling voor wat hij zegt. We reageren en geven weer ruimte aan uw peuter om te reageren. Zo ontstaan leuke en leerzame beurtgesprekjes.

In de groep werken we met Ben ik in Beeld, een methode om de taal en brede ontwikkeling van alle kinderen te stimuleren.
Elke zes weken is er een nieuw thema in de groep, bijvoorbeeld thema ‘lente’, thema ‘reuzen en kabouters’ of thema ‘dit ben ik’. In groepjes doen we leuke en stimulerende activiteiten met de peuters. We lezen voor uit prentenboeken die bij het thema horen. Hierbij stimuleren we de peuters om te reageren. Zo doen ze heel actief mee. We noemen dit interactief voorlezen. We zorgen dat de woorden bij het thema regelmatig terugkomen. Zo slijpen de woorden in.

Een belangrijke plek neemt Puk in, de pop van Ben ik in Beeld. Puk beleeft allerlei avonturen, die voor de peuters heel herkenbaar zijn. Puk is voor de peuters een vast ‘vriendje’ van de groep.

We doen met de peuters allerlei activiteiten bij het thema, zoals knutselen, beweegspelletjes en kringspelletjes. De peuters krijgen de taal dus op verschillende manieren aangeboden. Ze leren de taal door doen en ervaren.

In de groep richten we ook hoeken in die passen bij het thema. Deze hoeken nodigen de peuters uit om met elkaar te spelen. Spelenderwijs ontwikkelen zij zich. Tijdens het spelen zijn we in de buurt en spelen we ook mee. We geven woorden aan wat we zien tijdens het spel, zodat het voor de peuters een nog rijkere leerervaring wordt.