2,5-4 jaar

Sociaal emotionele ontwikkeling

Uw peuter probeert nog steeds zijn eigen wil door te zetten. Als iets niet lukt of niet mag, kan hij flink driftig worden. Uw peuter zit in deze periode als het ware op een ‘emotionele wip’. Hij botst steeds tegen de grenzen aan van wat hij wel of niet kan doen.

Uw peuter wordt steeds zelfbewuster, hij gaat ‘ik’ zeggen. Hij kan zes of meer lichaamsdelen aanwijzen. Hij kent andere kinderen bij naam en kijkt naar wat zij doen. Hij vindt het leuk om anderen na te doen in gedrag en spel.

Na zijn derde verjaardag krijgt uw peuter meer belangstelling voor anderen. Hij kijkt van een afstandje naar het spel van andere kinderen en sluit daar dan bij aan. Hij krijgt meer zorg en aandacht voor zijn omgeving.

Uw peuter vindt het nog moeilijk om met regels om te gaan. Vaak kent hij de regels wel, maar lukt het nog niet om zich er aan te houden. Bijvoorbeeld bij beurtspelletjes vindt hij het moeilijk om op zijn beurt te wachten. Hij vindt het fijn als u of een pedagogisch medewerker erbij is om hulp te bieden.
Uw peuter is al heel trots op wat hij kan en wil dit graag laten zien. 

Hoe begeleiden wij uw peuter

Omgaan met wensen en emoties
In de omgang met de peuters kijken we steeds goed wat ze doen en wat er in hen omgaat. We vertellen wat we zien: ‘kleien vind je leuk, hé? Daar geniet je van’. Zo voelt uw peuter zich gezien en kan hij zo stapje voor stapje leren om met zijn gevoelens om te gaan.

Groeiende zelfstandigheid
We stimuleren uw peuter om zelf te doen wat hij al zelf kan, of bijna zelf kan; zelf z’n jas aantrekken, z’n handen wassen, zelf een boterham smeren. Waar nodig helpen we hem. We geven een compliment als het is gelukt. Uw peuter mag trots zijn op elke grote of kleine mijlpaal!

We geven uw peuter de ruimte om zelf te kiezen waar hij mee wil spelen en met wie. Ook stimuleren we hem om zelf oplossingen te bedenken bij de dingen die hij op zijn pad tegenkomt. Dit helpt hem om zelfvertrouwen te krijgen en zelfstandig te worden.

Duidelijkheid
In de groep gebruiken we pictogrammen, waarop het dagprogramma te zien is. Bij een overgang naar een volgende activiteit kijken we samen naar de plaatjes. We gebruiken vertrouwde rituelen en  zingen vaste overgangsliedjes. Zo weten de peuters wat er gaat gebeuren en wat er van ze wordt verwacht.

We vertellen uw peuter welk gedrag in de groep wenselijk is en geven vaak complimentjes. Ook geven we met ons gedrag het goede voorbeeld. Als een peuter iets doet wat niet mag, dan leggen we duidelijk uit wat wel de bedoeling is. We laten de peuter altijd in zijn waarde.

Spelen naast en met elkaar
We geven uw peuter alle gelegenheid om te spelen met de andere peuters van de groep. Dit gebeurt bijvoorbeeld in de huishoek. We zijn in de buurt en spelen mee, zodat het fijne leerervaringen zijn. De peuters ervaren dat samenspelen veel plezier oplevert.

We geven woorden aan wat we zien aan wensen en emoties, “Kijk, Mia is verdrietig, zullen we haar gaan troosten?” Zo leert uw dreumes zijn eigen emoties en wensen kennen. Ook kan hij zo in de tijd gaan leren om zich in een ander in te leven.

We stimuleren vriendschap tussen de kinderen. We vieren belangrijke momenten met elkaar, zoals de feestdagen of de komst van een nieuw broertje of zusje. Zo groeit de verbondenheid en de saamhorigheid in de groep.

 

Spraak / taalontwikkeling

Uw peuter praat al in langere zinnen, meestal van drie woorden. Bijvoorbeeld: “ik pop hebben”, “Gijs toren maken”.
In korte tijd leert uw peuter enorm veel woorden erbij, tot ongeveer 900 woorden rond zijn derde jaar. Hij begrijpt dan al veel meer woorden. Hij stelt ook al vragen zoals: “is pop nou?”.
Woorden zoals ‘ik’ en ‘jij’, ‘van mij’ en ‘van jou’ gebruikt uw peuter rond zijn derde jaar.

Ook worden dan zijn zinnen langer en kent uw peuter steeds meer woorden, ongeveer 1500. Hij ‘vertelt’ op zijn manier over wat hij heeft meegemaakt. Hij stelt veel waarom- en-hoe-vragen.
Uw peuter verzint zelf taalspelletjes en houdt van verhalen, rijmpjes en versjes. Hij geniet van verhalen met humor en dingen die niet kunnen (bijvoorbeeld het maken van fantasiesoep). Uw peuter wil hetzelfde verhaal steeds weer horen, zonder veranderingen.
Tegen de tijd dat uw peuter bijna vier jaar wordt kan hij zelf een kort ‘verhaaltje’ vertellen.

Vanaf ongeveer drie tot vier jaar ontwikkelt zich een besef van wat wel en niet goed taalgebruik is. Bijvoorbeeld: Hugo: “ik ben aan het teken.” De pedagogisch medewerker: “ik zie dat jij heel goed kunt tekenen”.  Hugo: “tekenen”.

Hoe begeleiden wij uw peuter

In de groep praten we veel met de peuters. We doen dit op ooghoogte. We praten in duidelijke zinnen en op rustige toon. We nodigen de peuters uit om te reageren. Zo stimuleren we de taalontwikkeling.
Als uw peuter iets zegt, dan laten we zien dat we hem gehoord hebben. We geven hem persoonlijke aandacht en reageren op wat hij vertelt. Zo ontstaan mooie gesprekjes die fijn en zeer leerzaam zijn.

We stimuleren de taalontwikkeling van de peuters met Ben ik in Beeld. Elke 6 weken hebben we een nieuw thema, waarbij we diverse activiteiten aanbieden. De activiteiten zetten we in een ‘activiteitenspin’. Deze activiteitenspin hangt zichtbaar in de groep. Zo kunt u zien welke activiteiten uw peuter krijgt aangeboden. Ook kunt u er thuis met uw peuter over praten. Uw peuter zal dit erg leuk vinden.

Dagelijks doen we stimulerende activiteiten met de peuters. Dit doen we in kleine en grotere groepjes. We lezen bijvoorbeeld prentenboeken in de kring. We stimuleren dat de peuters actief meepraten. We zingen liedjes en gebruiken voorwerpen die het thema betekenisvol maken. Bij de prentenboeken gebruiken we vertelkoffers. Hierin zit het prentenboek, wat voorwerpen en voorbeelden van activiteiten. Deze vertelkoffers zijn ook beschikbaar voor ouders. Zo kunt u ook thuis met het thema met uw peuter aan de slag.

De pop Puk neemt een belangrijke plaats in bij de activiteiten. Puk mag ook met de peuters mee naar huis. Hij gaat dan logeren. Voor uw peuter is dit heel bijzonder. In de groep praten we met uw peuter na over de logeerpartij.  Zo komen de leefwereld van thuis en van de peutergroep bij elkaar. Dit voelt veilig voor uw peuter.

Het thema is ook herkenbaar in de inrichting van het lokaal. We maken themahoeken, waar de peuters met elkaar kunnen spelen en ontdekken. Door doen en ervaren ontwikkelt uw peuter zich.

Sommige peuters worden thuis in een andere taal opgevoed. Voor hen is het Nederlands de tweede taal. Deze peuters stimuleren we extra in de taalontwikkeling. We sluiten aan bij wat de peuter al kan en bouwen hierop voort.

Peuters spelen graag bij elkaar in de buurt en beginnen steeds meer samen te spelen. Tijdens dit spelen ontwikkelen ze hun taal. We begeleiden dit door bij het spel nabij te zijn en met de peuters mee te spelen. We benoemen wat we zien tijdens het spel, bijvoorbeeld “Kijk, Joris heeft twee bordjes, misschien wil hij er een aan jou geven?” We geven het goede voorbeeld. Zo leert uw peuter steeds meer woorden kennen en gebruiken. Hij leert spelenderwijs zich in anderen in te leven en rekening te houden met de ander.